Het is 9
april 2003.
Het is de
eerste keer dat één van onze ooien gaat lammeren.
Dana, de
oudste ooi – zij is al 7 – heeft de neiging zich af te zonderen.
Ook
duidelijk zijn haar uiterlijke kenmerken: een doorbloede vulva en gezwollen
uiers.
Maar het
apart lopen van de rest van de kudde valt wel heel erg op.
Het zal me
benieuwen wat ik morgen aantref.
Donderdag
10 april 2003
Om 7:30 uur
stap ik naar mijn auto om naar Zwolle te rijden.
Toch nog
maar even achter kijken.
Ik zie de
kudde in de boomgaard voor, en achter in het land ons paard met één ooi er
naast.
En wat zie
ik naast haar staan? Het is nét een klein wit hondje. Wat???
Het zijn er twee!
Snel ren ik
naar binnen:
“Marjo! We hebben lammeren!”
Marjo
rent in haar ochtendjas achter me aan.
Dana
heeft niet twee lammeren, maar een drieling gekregen.
Eén is
helaas dood, waarschijnlijk dood geboren.
Het
lammetje ligt nog in het vlies en voelt ijskoud aan.
De twee
levende beestjes voelen ook niet bepaald warm. Het waait hard en het is erg
koud voor de tijd van het jaar. Ik vermoed niet veel meer dan 2, 3 graden boven
nul.
Wat te
doen? Straks zijn de andere 2 onderkoeld! We besluiten de lammeren op te
stallen. We hebben een kleine stal al voorbereid met schoon stro. We pakken elk een lam op en roepen Dana om mee te gaan. Het is een eind lopen naar de stal. De
eerste meters loopt Dana “braaf” achter ons aan. Maar
dan keert ze plotseling om en loopt terug. Terug naar het dode lam. Daar sta je
dan met een mekkerend pasgeboren en dus nat lammetje in je arm. Wij dus maar
weer terug naar de treurende moeder.
Telkens als een lam mekkert, reageert Dana
daar op en loopt ze een stukje mee. Eindelijk lukt het ons haar richting de
stal te krijgen. Van tijd tot tijd draalt ze en heeft ze de neiging terug te
gaan. Maar eindelijk zijn ze allemaal binnen. Gauw het wrakke deurtje van de
stal dicht doen.
De rust kan
weerkeren. Ik geef Dana wat schapenkorrels die ze
gulzig naar binnen werkt. Vervolgens haal ik een emmer water die zij ook vol
enthousiasme aan neemt.
Met een
oude handdoek proberen we de lammetjes wat droog te wrijven, om ze weer op
temperatuur te helpen.
We laten
het nieuwe gezinnetje met rust en ik rij met de auto naar Zwolle.
Vrijdag 11
april 2003
De twee
lammeren lopen met moe door de stal. Het ene lam noemen we
Astrid, naar onze vroegere buurvrouw uit Almere, die
kort geleden bij ons op bezoek was. Astrid is niet groot. Pakweg
3 kilo.
Het andere
lam, dat nog eens een stuk kleiner is, noemen we Agaat, naar de dochter van Willy en Gert, ook zo’n kleintje.
Het ziet er
allemaal wel aardig uit, maar ons bekruipt het gevoel dat ze niet voldoende
voedsel binnen krijgen. Maar tja, er wordt wél door de lammeren gedronken.
Lastig dat we nog geen ervaring hebben. Nog even aankijken.
Zaterdag 12
april 2003
Het gaat
niet goed. Agaat ligt vrij passief in de stal.
Ik besluit
voor alle zekerheid haar een fles te geven met kunstmelk. Dat is een hoop
gedoe, maar ik krijg toch een 100cc naar binnen.
Omdat ze
maar slap blijft liggen en koud aanvoelt, besluit ik tegen 11 uur om haar op de
arm te nemen.
Buiten
schijnt de zon.
Het kopje
van Agaat komt omhoog en ze mekkert naar haar moeder.
Die kijkt
niet om naar haar dochter.
Een angstig
voorgevoel bekruipt me.
Na een half
uurtje komt er steeds minder reactie en na een paar korte zuchten is ze dood.
Ik begraaf
haar (illegaal…) onder de pruimenboom.
Maar ook
over Dana maak ik me zorgen.
Ik besluit
de veearts te bellen.
’s Middags
om een uur of drie komt hij langs. Hij neemt de temperatuur op. Hoge koorts.
Voor een schaap is 29 graden gewoon en ze heeft 32.
Haar longen
zijn niet in orde.
Hij besluit
haar antibiotica te geven.
Ook spuit
hij vocht onder haar huid.
Eén spuit
antibiotica laat hij achter voor de volgende dag.
Het blijkt
te werken.
Na een paar
uur staat ze al weer op haar poten. Nog wat zwakjes, maar ze wil weer naar
buiten.
De voeding
die Dana kan geven is te weinig en dus geef ik Astrid
de fles.
Dat is
wennen! Maar het lukt toch.
De volgende
dag is Dana genoeg opgeknapt om zélf te voeden, dus
laat ik de natuur verder het werk doen.
Zaterdag 19
april.
Op
donderdag ontstond enige twijfel.
Op (goede) vrijdag werden we bezorgd, maar was het al zo laat, dat we
besloten de volgende dag af te wachten.
Op
zaterdagmorgen belde ik de veearts. Dana lag puffend
in het land. Astrid mekkerend van de honger er om heen.
Ik heb
Astrid een fles gegeven. Nét 100 cc kreeg ik er in, niet veel dus.
Ik belde de
veearts met het verzoek om haast te maken. Hij was net met een keizerssnee
bezig.
Eindelijk,
daar was hij. Maar de diagnose was al gauw gesteld. Hij was weinig hoopvol.
Zowel de oogleden als lippen en tong waren erg bleek. Ook had ze weer korts en
absoluut geen melk meer. Hij gaf het gebruikelijke recept: antibiotiva
en nog eens vier verschillende injecties.
Hij liet
een grote spuit met antibiotica voor 4 dagen achter, maar gaf aan niet veel
hoop te hebben dat ze het zou halen.
Zondag 20
april.
De arts
heeft gelijk gekregen. Dana ligt dood in het land met
Astrid mekkerend er naast.
Een kraai
heeft een oog uitgepikt en zit dat smakelijk verderop in het land op te
peuzelen.
Ik regel
snel een dekzeil en leg dat met wat stenen vast over haar heen.
Tja, en wat
nu met Astrid?
Allereerst
de fles. Dat gaat bij haar niet van harte, maar een “zoepn,
kréng!” werkt.
We hebben
in de loop van de dag Dana op het dekzeil gerold en
in de schaduw van de boerderij gelegd.
Astrid werd
genegeerd door de rest van de kudde. Bovendien deed ons paard erg nukkig en
tikte haar alle kanten op met zijn grote hoofd.
Ik heb toen
van een pallet en wat planken een stalletje in elkaar getimmerd en op de deel
gezet.
Maandag 21
april
Het is tweede
paasdag.
Ik kan geen
Rendac of GD (Gezondheidsdienst voor dieren) bereiken.
Dinsdag 22
april
Ik heb de
GD gebeld met het verzoek sectie te verrichten.
Dat bleek
goed mogelijk.
Die zelfde
ochtend komt een vrachtwagen voorrijden om haar mee te nemen.
Vrijdag 25
april
Ik kan de
GD bellen met de uitslag van de sectie.
Het blijkt,
dat Dana een buikvliesontsteking had. Deze ontsteking
was waarschijnlijk het gevolg van een bacteriële infectie. Hoe die was ontstaan
is moeilijk te zeggen. De baarmoeder was gedeeltelijk afgestorven.
Er werd nog
een kweek gemaakt om exact de oorzaak te kunnen bepalen. Maar de conclusie van
de patholoog was simpel: “helaas, gewoon botte pech”.
En Astrid?
Met Astrid
ging het goed.
Eerst
lieten we haar veel in huis lopen. Heel gezellig en vertederend natuurlijk zo’n jong mekkerend lammetje.
’s Avonds
ging ze in haar eigen stalletje. En tussendoor flessen melk. Die gingen er
steeds makkelijker in. Tot ze 5 keer per dag telkens 450cc (een volle fles)
naar binnen werkte. Met klotsende buik ging ze naar buiten en na 4 weken at ze
een aanzienlijk portie gras op.
En
natuurlijk ging haar gewicht omhoog. Toen ze 2 weken oud was, woog ze 5 kg,
normaal gesproken het geboortegewicht. Maar na 4 weken (op 18 mei) woog ze al 8
kg. Verder gaven we haar wat lammerenkorrels. Maar daar geeft ze nog steeds
weinig om.
Maar als je
haar ziet rennen door het land, met inmiddels
duidelijke horenpuntjes op haar kop, ziet ze er uit als op en top Hollands
welvaren.