Het is 15 mei 2003.
Voor de derde keer gaat één van onze ooien lammeren.
De eerste keer is een ramp geweest. Van de drieling
hebben maar één lam kunnen behouden en de ooi is dood gegaan.
De tweede keer gaf rompslomp omdat het lam in de
sloot belandde en de ooi hem niet meer erkende.
Nu de derde keer. Zal dat beter gaan?
Elly heeft de neiging zich af te zonderen.
Haar uiers staan strak met grote tepels.
In de flanken toont zij kuilen. Een teken van
verzakking.
Ze loop wat met haar staart in een knikje omhoog,
waardoor goed zicht geboden wordt op een doorbloede en enigszins gezwollen
vulva.
Verder loopt ze met O-benen, een teken van beginnende
ontsluiting.
Maar vooral de afzondering is duidelijk. Nou zijn
Wiltshirehorns minder kudde dieren dan andere schapen. Zoals Silvia eens uitdrukte: meer een groep individuen. Maar Edith is nu steeds ver van de andere dieren verwijderd.
Ik ga ’s avonds vaak kijken. Om een uur of 10 zie ik
twee hoefjes nét naar buiten komen. Het wordt dus nu écht!
Om 11 uur ga ik samen met mijn zoon, Ewald, kijken.
Inmiddels is het aardedonker geworden, dus we nemen een
zaklantaarn mee.
Elly staat achter in het land, bij de oude eikenbomen.
We lopen voorzichtig om haar hen, waarbij we alleen
op de grond schijnen om haar zo min mogelijk te verontrusten.
Achter haar gekomen schijnen we tegen haar kont aan.
Er steken nog steeds twee hoefjes uit, maar die zijn
al verder dan een uur geleden.
Elly gaat op de grond liggen, op haar rechterzij.
Ze steekt haar linker achterpoot in de lucht en
begint te persen.
We zien bij elke wee de pootjes een stukje verder
naar buiten komen.
Na pakweg 3, 4 weeën houdt
het op. De pootjes zijn nauwelijks meer naar buiten gekomen.
Het is koud en regent een beetje.
Na een minuut of vijf stil te hebben staan wachten op
de dingen die komen gaan, staat Elly op en begint
doodleuk te grazen, alsof er niets aan de hand is.
Omdat er verder niets gebeurt
geven we het op. Het kan nog uren duren, dus gaan we naar binnen.
Ik drink nog een wijntje en besluit om twaalf uur
naar bed te gaan.
In de keuken staat de zaklantaarn en door
nieuwsgierigheid gedreven ga ik nog even naar buiten. Tóch nog even kijken.
Het is opgehouden met regenen en ik loop de boomgaard
in.
De stallen langs en langs het bosplantsoen naar de
achterste weide.
Elly staat nog steeds te grazen.
Ik loop naar haar toe en ze gaat liggen.
Ze strekt haar lijf en begint te persen.
De pootjes zijn al grotendeels naar buiten gekomen en
ik zie na een flinke perswee het kopje komen.
Nóg een perswee en het kopje is
er helemaal uit.
Nou moet je doorzetten meid!
Na nog een perswee is het lijfje half naar buiten
gekomen.
Daarna lijken de weeën af te nemen.
Ik besluit het zekere voor het onzekere te nemen.
De zaklantaarn steek ik onder mijn arm om mijn handen
vrij te hebben en tóch wat te kunnen zien.
Ik pak het halfgeboren lam beet.
Bij de eerstvolgende perswee trek ik er voorzichtig
aan en het lam komt helemaal naar buiten.
Het vlies scheurt vanzelf al open en proestend komt
het kopje omhoog.
Een eerste ijl mekkertje klinkt.
Elly draait met haar kop naar het lam en staat op.
Ze begint direct het vlies op te eten en vervolgens
het lam schoon en dus ook droog te likken.
Nog voordat het lam het koud kan gaan krijgen is hij
al grotendeels droog gelikt.
Het is een ram.
De volgende dag besluiten we, dat we hem Alfred noemen.