Welkom op de website van Wiltshirehornfokkerij Thyencamp in Hooghalen.
Kom eens langs om dit ras van dichtbij te bekijken.
Bovendien kunt u binnen of op het
terras
een kop
koffie
, glas
bier
of wat u maar wenst gebruiken.
Voor informatie over aanschaf van Wiltshirehorns verwijs ik graag naar de Holland Wiltshirehorn Club.
U kunt de HWHC bereiken via de site van de VSS
of via e-mail: sl.bouwman@xs4all.nl
Schapen en vossen in Waterland
J.L.Mulder
In opdracht van:
Provincie Noord-Holland
oktober 2005
Inhoudsopgave
Samenvatting en conclusies ................................................................................................................... 6
1. Problematiek............................................................................................................................................ 7
2. Werkwijze ................................................................................................................................................. 8
3. Bevindingen ............................................................................................................................................. 9
3.1. Inspecties.......................................................................................................................................... 9
3.2. Hoe vaak komt vossenschade voor? .................................................................................... 13
3.3. Overig verlies aan schapen...................................................................................................... 13
3.4. Krantenberichten ......................................................................................................................... 14
4. Schade door vossen in perspectief ............................................................................................... 15
4.1. Het beeld van de boer................................................................................................................ 15
4.2. Bestaande kennis......................................................................................................................... 16
4.2.1. Waar komen problemen tussen vossen en schapen voor? .................................. 16
4.2.2. Predatie op lammeren in Groot-Brittanië en Ierland.............................................. 16
4.2.3. Predatie op lammeren elders in Europa ...................................................................... 18
4.2.4. Vossenproblemen in Noord-Kennemerland................................................................ 18
4.2.5. Experiment met schapen en vossen............................................................................. 20
5. Discussie ................................................................................................................................................. 22
5.1. Waarom komen vossen op schapen en lammeren af? .................................................. 22
5.2. Wat is de omvang van de problemen? ................................................................................ 23
6. Mogelijke oplossingen ........................................................................................................................ 24
7. Literatuur en websites ....................................................................................................................... 28
Bijlage 1. Inspectieformulier................................................................................................................. 29
Bijlage 2: Krantenberichten .................................................................................................................. 31
Bijlage 3. Naar een niet verwentelend schaap? ............................................................................ 36
Samenvatting en conclusies
In Waterland (ten noordoosten van Amsterdam) ondervinden schapenhouders last van
vossen. Schapen en lammeren worden, soms nog levend, aangevreten, en (sommige)
boeren zijn van mening dat vossen daadwerkelijk schapen grijpen en doodmaken. Om dit
verschijnsel zowel kwalitatief als kwantitatief op zijn waarde te kunnen schatten, werden
van mei 2004 tot september 2005 zoveel mogelijk meldingen over vossenschade
nagetrokken door nog dezelfde dag een inspectie uit te voeren. Ook werden de betreffende
boeren geïnterviewd, o.a. over eerdere incidenten, werd de literatuur over schapen en
vossen uitgeplozen en werden krantenberichten verzameld.
In totaal konden 16 meldingen nader onderzocht worden, waarvan 8 door persoonlijke
inspectie van de situatie en 8 door een telefonisch interview. Bij deze 16 meldingen waren
er 3 waar geen vos aan te pas was gekomen (tweemaal kraai en eenmaal hond); 5 waar
een vos (of vermoedelijk een vos) een reeds dood schaap had aangevreten; 5 waarbij een
vos (of idem) een nog levend schaap had aangevreten; en 3 gevallen waar niet was vast te
stellen of het schaap al dood was of nog leefde. Van deze laatste 8 levend, of misschien
levend, door een vos aangevreten schapen waren er 7 in hulpeloze toestand geraakt
(verwenteld) en 1 ziek.
In een derde tot maximaal de helft van de gemelde gevallen zou het aanvreten door de
vos de oorzaak van de dood van het schaap geweest kunnen zijn, maar een deel van deze
aangevreten schapen zou ook uit zichzelf zijn dood gegaan, alleen al door het verwentelen.
Op tien bedrijven waar zich incidenten met vossen voordeden, meldden de boeren (over
een periode van vier jaar) vossenschade bij gemiddeld 0.36 % van de schapen. Dit is zeker
een overschatting, want in de steekproef zitten alleen bedrijven met schade, en niet bij alle
incidenten zijn werkelijk vossen betrokken. Over dezelfde periode ging jaarlijks gemiddeld
ruim 5 % van de schapen verloren door verdrinking en ongeveer 1 % door verwenteling.
Door het binnen aflammeren en meestal pas na twee weken buiten zetten van lammeren is
er overigens nauwelijks predatie van vossen op lammeren in Waterland.
Veel boeren hebben een onrealistisch beeld van het gedrag van de vos. Men meent dat
vossen schapen kunnen opjagen en grijpen. De waarnemingen en ervaringen in het
buitenland en tijdens een experiment met vossen en schapen in Noord-Kennemerland
wijzen uit dat vossen op hun hoede zijn voor schapen, en hooguit lammetjes in de eerste
tien levensdagen kunnen pakken. Vossen eten nageboortes, de melkachtige keutels van
lammeren en dode (of hulpeloze) schapen en lammeren.
Het probleem met vossen ontstaat duidelijk door het verwentelen van de schapen of op
andere wijze in hulpeloze toestand raken van schapen (in de sloot bijvoorbeeld). Het
verwentelen lijkt een typisch Nederlands probleem, dat zich vooral voordoet met het brede
vleesras Texelaar. In de buitenlandse literatuur wordt nergens gerept van volwassen
schapen die levend door vossen worden aangevreten.
Op basis van het gedrag van schapen en vossen wordt een flink aantal suggesties gedaan
om de problemen te verminderen of te voorkomen (hoofdstuk 6). Afschot van vossen helpt
niet of nauwelijks. De beste optie zou zijn een ander schapenras te gaan houden, zonder
wol, dat economisch interessant is, niet verwentelt en (door gebrek aan wol) niet zo gauw
verdrinkt. Aan zo’n ras wordt gewerkt. Andere opties zijn het toevoegen van een lama als
bewaker aan de schaapskudde, het dichter bij elkaar houden van de kudde, en het
verlagen van het verwentel-risico door al rond het aflammeren te scheren, door vaker te
controleren en door het grasland zo vlak mogelijk te maken. Het in de sloot raken kan
verminderd worden door een schrikdraadje langs de sloten te zetten. Boeren doen dit
momenteel nauwelijks, terwijl ze jaarlijks toch 5 % van hun schapen verliezen door
verdrinking. Dat geeft aan dat het wellicht niet zo realistisch is om te verwachten dat
boeren investeringen doen om het jaarlijkse verlies (als gevolg van vossen) te voorkomen
van maximaal nog geen half % van de schapen. In dat geval zal men er mee moeten
leven.
6
1. Problematiek
De vos heeft zich, door allerlei oorzaken, sinds de jaren zestig sterk
uitgebreid in Nederland (Mulder, 2005). Tegenwoordig leven er ook
vossen in weidegebieden, zoals in de provincie Noord-Holland. De
eerste vossen in Waterland (het gebied direct ten noord-oosten van
Amsterdam) werden in 1996 waargenomen (Tump, 2001). In elk geval
tot april 1999 werden geen problemen met schapen of lammeren
geconstateerd (van Houten, 2000). Pas in 2002 werden de eerste
gevallen van vraat aan schapen geconstateerd. In februari 2004
kwamen bij de Provincie verhalen binnen over schapen die levend door
vossen waren aangevreten. Samen met eerdere meldingen van vraat
door vossen aan schapen, zowel gemeld door boeren als door
faunabeheerders, was dit aanleiding een nader onderzoek in te stellen
naar de problemen die schapenboeren hebben met vossen. Daarbij
stonden de volgende vragen centraal:
a. Kunnen vossen schapen en lammeren vangen en doden?
b. Kunnen vossen levende schapen aanvreten, en zo ja, hoe groot is
dat probleem in Waterland?v
c. Zijn er mogelijkheden om schapen en lammeren te vrijwaren van
vossenpredatie?
7
2. Werkwijze
Om een beeld te krijgen van de variatie en intensiteit van de problemen van
schapenboeren in Europa met vossen, werd de literatuur en het internet doorzocht.
Ook werden de krantenberichten over schapen in Noord-Holland zoveel mogelijk
verzameld. Ter vergelijking werden ook de (grotendeels ongepubliceerde) gegevens
gebruikt over schapen en vossen, die verzameld waren tijdens het vossen-onderzoek
dat van 1995 tot 1998 in het Noordhollands Duinreservaat werd uitgevoerd (Anoniem,
2000; Nuissl, 1996). Er kon in het kader van dit onderzoek niet gestreefd worden naar
een volledig beeld van de schaap-vos-problematiek.
De kern van het onderzoek vormden de bezoeken aan boeren die schade meldden,
waarbij nog dezelfde dag in het veld bekeken en gedocumenteerd werd, wat er aan
aanwijzingen was die iets duidelijk maakten over wat er gebeurd was. Als het niet
mogelijk was om dezelfde dag een bezoek af te leggen, werd een telefonisch interview
afgenomen. Boeren werden op het onderzoek attent gemaakt via de nieuwsbrieven
van de Natuurvereniging Waterland, via de dierenartsen en de FBTO, en via mond op
mond reclame. Tijdens het bezoek of het telefonisch contact werden vragen gesteld
volgens een standaardformulier (bijlage 1). Daarbij werd niet alleen gevraagd naar het
schadegeval, maar ook naar de omvang en aard van het bedrijf, naar de manier van
schapen houden, naar eerdere schades, naar de overige jaarlijkse verliezen aan
schapen en naar de mening van de betrokkene. Van niet zelf bezochte gevallen waren
soms foto’s ter beoordeling beschikbaar, genomen door de betreffende boer. Aan het
eind van het onderzoek werd iedereen nog eens gebeld met de vraag of er sinds hun
melding nog meer of andere vossen-problemen waren geweest. Bij de persoonlijke
inspecties van de dode schapen (of de bestudering van foto’s) werd gelet op de aard
van de vraat, werd geprobeerd vast te stellen wat de doodsoorzaak was en of het
schaap levend dan wel dood aangevreten was (bij een dood dier geeft de aard van
eventuele bloedingen daarover aanwijzingen) en werd geprobeerd vast te stellen of er
al dan niet sprake was van een situatie waarin het schaap zich kon verdedigen.
Rowley (1970) somt, op grond van ervaringen in Australië, de kenmerken op van het
‘vraatbeeld’ dat vossen achterlaten, in vergelijking met wat honden aanrichten. Dit
helpt bij het beoordelen wat er gebeurd is:
Vossen:
Het schaap is meestal duidelijk aangevreten
Meestal is maar één schaap het slachtoffer
Schapen zijn niet in de sloot of in het gaas gejaagd
Schapen vertonen geen onrustig gedrag
Er liggen geen plukken wol verspreid over het terrein
Beten zijn geconcentreerd op de weke en
meestal dunbehaarde delen van het lichaam, maar ook wel elders
Vossen laten soms een duidelijk waarneembare urinevlag achter
Honden:
Het schaap vertoont op diverse plekken
over het gehele lichaam, maar vooral op
het achterstel, verwondingen
Vaak vertonen verscheidene schapen
verwondingen
Schapen zijn vaak in de sloot of in het
gaas gejaagd
Schapen kunnen lange tijd (soms wel
dagen) onrustig blijven en staan in een
gesloten groep bij elkaar
Plukken wol liggen over het perceel
verspreid
Beten bevinden zich vooral aan het
achterstel van het schaap, maar ook wel
elders
Honden laten geen duidelijk waarneembare
urinevlag achter
8
3. Bevindingen
3.1. Inspecties
Er kwamen veel minder meldingen binnen dan op grond van de verhalen verwacht
werd. In een tijdsbestek van 17 maanden (mei 2004 t/m september 2005) konden
slechts 8 bezoeken worden gebracht aan boeren, en nog eens 8 gevallen werden
telefonisch (n = 6) of aan de hand van foto’s (gemaakt door de eigenaar) beoordeeld
(n = 2). Onderstaand schema geeft de conclusies van de 16 beoordeelde gevallen
weer, verdeeld over levend of dood aangevreten en over verwenteld, ziek of anders
aangevreten.
Overzicht van de bevindingen
Verwenteld
levend aangevreten door vos
levend aangevreten door verm. vos
levend aangevreten door andere predator
dood aangevreten door vos
dood aangevreten door verm. vos
dood aangevreten door andere predator
dood of levend door vos
dood of levend door verm. vos
dood of levend door andere predator
In het merendeel van de gevallen ging het om schapen die hulpeloos (of al dood)
verwenteld in de wei lagen (eerste kolom). Een verwenteld schaap kan, na te zijn
gaan liggen, niet meer opstaan en sterft na 6 tot 24 uur (zie paragraaf 5.1), tenzij hij
op tijd tijdens de ochtend- of avondcontrole door de boer weer overeind wordt gezet.
Het was achteraf lang niet altijd mogelijk om met zekerheid te bepalen of de vos de
oorzaak van de schade was en of het schaap al dood was of nog leefde. Gaan we er
gemakshalve van uit dat de als ‘vermoedelijk vos’ beoordeelde gevallen ook de vos
betrof, dan werd vijfmaal vastgesteld dat vossen verwentelde schapen levend
aanvraten (foto 7), tweemaal dat vossen een verwenteld schaap aanvraten waarvan
niet vast te stellen viel of het nog leefde of al dood was (foto 4), en tweemaal dat
vossen een verwenteld en reeds dood schaap aanvraten. Overigens was één van deze
laatste gevallen niet een geval van verwenteling, maar een schaap dat op een andere
manier hulpeloos werd en stierf. Het had zijn kop tussen de planken van een hek
gestoken en kon het niet meer terugtrekken
Het onderscheid tussen de tweede en derde kolom is niet scherp. De schapen die dood
werden aangevreten, maar niet verwenteld waren (ze lagen bijvoorbeeld op hun buik
of net op hun zij, derde kolom en foto 5) moeten ter plekke zijn doodgegaan, en dus
‘ziek’ zijn geweest. Onder ‘ziek’ werden een schaap en een lam gerangschikt. De
eerste was een ooi gestorven als gevolg van myasis, een zware infectie van
vliegenmaden onder de wol op het achterstel (foto’s 2 en 3). In feite was dit dus een
geval van slechte verzorging. Deze (deeltijd-)boer liet zijn kadavers gewoonlijk niet
weghalen door de destructie, maar begroef ze ter plekke. De begraven doodgeboren
lammetjes en gestorven schapen werden elk jaar door vossen opgegraven en
opgegeten. Het andere geval van ziekte was een ‘suf’ lam, dat in maart door
9
vermoedelijk een vos uit een veldschuur werd weggehaald en later elders opgegeten
werd gevonden.
Vossen vraten meestal aan de minst behaarde delen van het lichaam: kop (soms
waren alleen de oren er af gevreten, foto 1), oksel, lies, uier en omgeving, of de ‘kling’
(=vagina).
Sommige boeren meldden ook dat het wel eens voorkwam dat vossen schapen of
lammeren (dood of levend) aanvraten die in het water waren beland en er niet meer
uit konden komen. Als hun kop bereikbaar was vanaf de kant, werden bijvoorbeeld
neus en oren eraf gevreten. Zulke gevallen zaten niet bij de inspecties.
Andere predatoren
Eén verwenteld schaap werd levend aangevreten door vermoedelijk een kraai. Op het
hoogste punt van het in een natte greppel liggende schaap, de linkerflank, was een
klein stuk huid kaal- en kapot gemaakt, en was de onder spanning staande pens
opengehakt (foto 6). Kraaien hadden ook een in de wei gestorven, niet verwenteld
schaap aangevreten (derde kolom, zesde regel), door de darmen via de anus eruit te
trekken (foto 8). Een alleen telefonisch beoordeeld geval betrof waarschijnlijk het
levend aanvreten van een (volgens de boer) niet-verwenteld schaap door een hond
(derde kolom, derde regel). De hals was aangevreten, de darmen hingen eruit, en
overal lagen plukken wol.
Vos als oorzaak van schapensterfte
Bij de 16 beoordeelde gevallen waren geen situaties waarbij de vos een schaap had
overmeesterd; 3 situaties waarbij de vos helemaal niet betrokken was; 5 situaties
waarbij het schaap al dood was voordat de vos er van begon te eten; 3 situaties
waarbij niet meer vast te stellen was of het schaap al dood was; en 5 situaties waar
(vermoedelijk) vossen een schaap levend hadden aangevreten. Bij de laatste 8
situaties waren 7 gevallen van verwenteling en 1 ziek schaap.
In een derde tot maximaal de helft van de door boeren aangemelde gevallen zou de
vos dus de oorzaak van het sterven van het betrokken schaap kunnen zijn, al kun je
dat geen predatie noemen: de schapen werden immers niet gevangen door de vossen.
Daarbij zijn twee kanttekeningen te maken:
A. Niet alle aangevreten schapen sterven, soms blijven ze (al of niet met hulp van de
dierenarts) in leven.
B. Onbekend is welk deel van de levend aangevreten verwentelde schapen (7 van de 8
schapen waren verwenteld) ook zonder tussenkomst van de vos gestorven is of zou
zijn door het verwentelen zelf.
10
3.2. Hoe vaak komt vossenschade voor?
Uiteraard is niet elk geval van vossenvraat aan schapen ons ter ore gekomen. Door
rondvragen is geprobeerd een meer compleet beeld te krijgen van de frequentie
waarin schade voorkomt. De boeren die bezocht werden, werd gevraagd naar hun
eerdere ervaringen met vossen. Bovendien werden ze bij de afsluiting van het
onderzoek opgebeld om te vragen naar hun ervaringen sinds het inspectiebezoek. Op
deze manier is van een beperkt aantal boeren over een flink aantal jaren de schade
boven water gekomen, al moet bedacht worden dat dit vrijwel zeker een hogere
schade oplevert dan gemiddeld; het is immers een selectie van boeren die allemaal al
eens schade gehad hebben, er zitten geen boeren bij die nooit schade hebben.
Daarnaast verschafte één van de vier dierenartsen in de regio een lijstje van aan hem
bekend geworden gevallen.
Op tien bezochte bedrijven met gemiddeld 90 (spreiding 35 tot 300) ooien werden
over 2002 t/m 2005 (tot 1 okt) 26 gevallen door de boeren genoemd, waarvan er 14
zijn opgenomen in de hierboven behandelde inspecties. Daarbij werden alle
meldingen, dus ook die waar geen vos bij betrokken was, meegenomen, omdat de
gemelde maar niet beoordeelde gevallen uiteraard niet nader konden worden
bekeken. In 2001 werd nog geen enkel geval van vossenvraat waargenomen, in 2002
een viertal, in 2003 acht, in 2004 tien en tot oktober 2005 vier. De meldingen liepen
uiteen van vermiste lammeren tot levend aangevreten drachtige ooien. Aangezien een
deel van de problemen zich voordeed met lammeren, gaan we uit van een totaal
aantal aanwezige schapen op deze tien bedrijven van 1900. Dit is als volgt berekend:
900 ooien werpen ieder 1.5 overlevende lammeren, totaal 1350 lammeren. Deze
blijven driekwart jaar op de bedrijven, dus gemiddeld over het jaar zijn er 0.75 * 1350
˜ 1000 lammeren. Grofweg komt dit aantal meldingen van al of niet werkelijke
vossenschade dus neer op 0.69 gevallen per jaar per bedrijf (het jaar 2001 dat nog
zonder meldingen was, is buiten beschouwing gelaten), of 0.36 % van alle aanwezige
schapen per jaar.
Nogmaals: het gaat hier om een schatting die een uiterste maximum weergeeft
(steekproef is een selectie van bedrijven met schade, en niet alle schade is
veroorzaakt door vossen), het werkelijke cijfer moet lager liggen.
De dierenartsenpraktijk Monnickendam meldde over 2004 en 2005 (tot 1 oktober) elf
gevallen van vossenvraat bij zeven bedrijven, in totaal aan 15 schapen. Van deze elf
meldingen werden er zes door mij geïnspecteerd; van die zes waren er twee waar
geen vos bij betrokken was. Als de doorgegeven meldingen een compleet beeld geven
en de vier dierenartsenpraktijken een vergelijkbaar aantal schapenhouders tot klant
hebben, zouden er in heel Waterland in 1.75 jaar tijd 44 gevallen van gemelde
vossenvraat voorkomen, ofwel 25 gevallen per jaar. In de statistieken van het CBS
valt Waterland in de regio ‘Waterland en droogmakerijen’. Aannemende dat Waterland
daarvan de helft uitmaakt, waren er in 2003 zo’n 32.000 schapen (incl. lammeren) in
Waterland. Per jaar zou 25 gevallen van vossenvraat dus betekenen dat elk jaar
slechts 0.08 % van de schapen daarmee te maken krijgen. Dat is waarschijnlijk juist
weer een onderschatting.
3.3. Overig verlies aan schapen
Aan de bezochte boeren werd ook gevraagd wat het patroon was van de overige
sterfte van lammeren en ooien. Sterfte van lammeren is moeilijk te kwantificeren,
omdat veel boeren de sterfte bij de geboorte niet bijhouden, het is te gewoon. Zes tot
13
15 % sterfte bij de geboorte lijkt niet ongewoon. De divisie Praktijkonderzoek van de
Animal Science Group in Lelystad hanteert de volgende gemiddelden voor Nederland:
lammersterfte totaal 12.5 %, waarvan grofweg 8 % binnen 24 uur na geboorte, 3.5 %
tot spenen en 1 % daarna (J. Verkaik, pers. meded.)
De meeste sterfte bij grotere lammeren en bij de ooien komt door verdrinking,
jaarlijks verdrinkt ruim 5 % van de schapen (ooien plus lammeren) op de negen
bevraagde bedrijven. Dit komt goed overeen met het gemiddelde beeld, volgens
Walraven & Edel (2003): “Door sloten omzoomde weilanden behoeven geen
afrastering, maar als compensatie voor deze kostenbesparing verdrinkt jaarlijks
gemiddeld vijf procent van de groep”. Verwenteling komt in een per bedrijf sterk
wisselend percentage voor, de sterfte als gevolg van verwenteling wordt door de
betreffende boeren gemiddeld op ongeveer 1 % van de ooien geschat. De Animal
Science Group gaat uit van gemiddeld 5 % jaarlijkse totale sterfte van ooien (J.
Verkaik, pers. meded.).
In het algemeen meldden de boeren geen problemen te hebben, of slechts een enkele
keer, met loslopende honden. Daarover in de volgende paragraaf meer.
3.4. Krantenberichten
Wat er aan krantenberichten over problemen met schapen in Noord-Holland uit 2003
en 2004 verzameld kon worden, staat in bijlage 2. Opmerkelijk is, dat 5 van de 10
berichten niet over vossen, maar over honden gaan. Bij een probleem met honden
gaan vaak verscheidene schapen tegelijk dood. In deze berichten gaat het
achtereenvolgens om 9, 2, meer dan 50, 4 en 0 dode schapen. Het is goed mogelijk
dat het aantal berichten over zulke incidenten in de krant daardoor hoger is dan over
de problemen met vossen, die vaak minder spectaculair zijn. Toch is het opvallend dat
problemen met honden zo vaak voorkomen in de schapenhouderij.
Eén bericht gaat over wandelaars die schapen in de sloot drijven. Vier berichten gaan
over vossen en schapen, maar twee daarvan behandelen niet een incident, maar het
aanbieden van een klachtenboek aan de gedeputeerde, over de problemen met vossen
in Waterland.
De twee berichten over vossen en schapen gaan toevallig beide over gevallen die ook
door mij geïnspecteerd werden. Het eerste bericht geeft een redelijk beeld van de
situatie. Het tweede bericht echter, met de suggestieve kop ‘Vos blijft 'n killer in
Waterlands landschap’, is bepaald misleidend, niet in het minst door de beweringen
van de betreffende boer. Citaat: ‘Bij Mul zijn dit jaar diverse schapen en lammeren
door vossen doodgebeten. Wandelend over zijn land vind je her en der de resten van
schapenpoten, die door vossen zijn achtergelaten’. De werkelijkheid was, dat het
schaap dat recent was aangevreten, gestorven was door een hevige infectie met
vliegenmaden, in feite door slechte verzorging dus, en pas daarna was aangevreten.
Desgevraagd vertelde de boer, dat ook de eerdere gevallen van vossenvraat
gebeurden aan lammeren en schapen die zelf gestorven waren en door hem in het
land, of ter plekke begraven, waren achtergelaten. Geen enkel lam of schaap was door
een vos doodgebeten.
Dit toont maar weer eens aan dat het onverstandig is om louter op berichtgeving in de
pers af te gaan als het gaat om het nemen van beslissingen over een bepaald
onderwerp.
14
4. Schade door vossen in perspectief
4.1. Het beeld van de boer
De boeren in Waterland hebben niet alleen ‘problemen’ met de vos in relatie tot hun
schapen, maar ook in relatie tot het weidevogelbeheer. Veel boeren werken actief mee
aan de bescherming van nesten van weidevogels, en zien de stand van jaar tot jaar
achteruitgaan. Dit wordt door hen zonder meer op het conto van de vos geschreven.
Sinds de komst van de vos is het uitkomstpercentage van de nesten duidelijk
achteruitgegaan (meded. Natuurvereniging Waterland). De geïnterviewde boeren zijn
dan ook zonder uitzondering van mening dat de vos weg moet, of tenminste flink
moet worden aangepakt. Daarbij wordt ook gezegd dat de natuurbeheerders de
vossenstand in hun terreinen moeten minimaliseren of er een hek omheen zetten.
“Vossen horen hier niet” is de algemene mening. Dat kon je de afgelopen decennia in
veel streken van ons land horen waar de vos voor het eerst opdook. “Horen hier niet”
staat eigenlijk voor: “hij kwam hier sinds mensenheugenis niet voor”. De vos zelf
bewijst echter dat het een beetje anders ligt.
Met betrekking tot schapen en lammeren hebben boeren vaak allerlei ideeën die niet
lijken te stroken met de werkelijkheid. Als je vraagt of ze zelf gezien hebben wat ze
denken dat er gebeurd is, dan blijkt dat ze zelf eigenlijk nooit ontmoetingen tussen
vossen schapen waargenomen hebben. Ook uit het feit dat boeren regelmatig dode
schapen aanmelden als ‘vossenschade’, terwijl bij nadere inspectie duidelijk is dat er
zelfs geen vos in de buurt is geweest (zie paragraaf 3.1), blijkt dat boeren niet altijd
goede waarnemers zijn. Voorbeelden van meningen van de boeren:
“Het schaap is waarschijnlijk door de vos opgejaagd tegen het hek aan en toen
gegrepen”; hier bleek het schaap met zijn kop vast te zitten tussen de planken van
een hek (waarschijnlijk omdat het erachter wilde grazen), dood te zijn gegaan en
daarna deels door een vos te zijn opgegeten.
“De ooi is mogelijk in haar slaap aangevallen door een vos”; dit geval kon niet
geïnspecteerd worden, maar de boer zei dat het schaap nog leefde en niet verwenteld
was. Hij meende: “Vossen drijven de koppels schapen uit elkaar tot ze er één apart
hebben. Het land is zacht (november), dan kunnen de schapen niet snel lopen.”
“Een vos heeft het schaap bij de nek te grazen genomen”; dit was het geval waar een
schaap stierf door vliegenmaden.
“De vos heeft de (halfwas) lammeren in paniek gebracht, ze zijn de sloot in gelopen
en daar aangevreten.”; dit was een telefonische melding, er kon niet geïnspecteerd
worden, maar er werd wel gezegd dat één van de lammeren ook in de lies was
aangevreten. Dat is vreemd, want die zou zich dan onder water moeten bevinden.
Er was echter ook een boer die gezien had dat een vos zonder reactie te veroorzaken
tussen de schapen door liep. “Als een vos plotseling tevoorschijn komt, dan schrikken
de schapen even, maar daarna hebben ze geen aandacht voor elkaar. Het opjagen
van schapen gebeurt alleen door honden, nooit door vossen”.
15
4.2. Bestaande kennis
4.2.1. Waar komen problemen tussen vossen en schapen voor?
De problematiek van predatie van schapen of lammeren door vossen is vooral bekend
uit Groot-Brittannië en Ierland (en buiten Europa vooral uit Australië). Een zoektocht
in de literatuur en op het internet leverde voor de overige ons omringende landen
nauwelijks resultaten op. Soms wordt de vos tussen neus en lippen door genoemd als
een probleem voor schapenboeren. De problemen met volwassen schapen lijken een
typisch Nederlands (Noord-Hollands?) verschijnsel. Predatie op schapen gebeurt in
Centraal- en Oost-Europa vooral door lynx, beer en wolf. Nergens wordt de vos
opgevoerd als predator van volwassen schapen, alleen lammeren worden genoemd.
Het is dan ook onmogelijk, zelfs voor de grootste vos (van maximaal 9 kilo), om een
gezond volwassen schaap of een groot lam van 40 tot 80 kilo te doden, naar de grond
te trekken of anderszins in moeilijkheden te brengen. Op de brede, met dichte wol
bezette hals en nek hebben zijn kleine smalle bek en hooguit 2 cm lange hoektanden
onvoldoende impact.
Bij predatie op schapen (in het buitenland dus in feite op lammeren) moeten we
onderscheid maken tussen twee situaties: de schapenhouderij bij boerderijen met veel
menselijk toezicht (‘lowland flocks’), zoals we die uit Nederland kennen, en het
grootschalig vrij rondlopen van grote kuddes schapen in (half-)natuurlijk gebied als
heide, heuvels en bergen (‘upland’ en ‘hill flocks’). Deze laatste praktijk vinden we
vooral in Schotland, Noord-Engeland, Wales en Ierland, maar ook in Noorwegen en de
Alpen. De schapen worden daarbij niet of nauwelijks geïnspecteerd door de boer,
maar gedurende langere tijd aan hun lot overgelaten. Verder is voor de mate van
predatie van groot belang wat de boer doet in de tijd van het lammeren. In ons land
lammeren vrijwel alle schapen binnen, ook al omdat veel schapenrassen hulp van de
mens nodig hebben bij de geboorte. Soms is ‘binnen’ echter in een schuur op het erf,
of in een veldschuur, die vanwege de ontwikkelde warmte open staat en alleen met
een grof hek is afgesloten. Vossen hebben dan vrij toegang tot de pasgeboren
lammeren en (vooral) de nageboorte. Hoe het aflammeren in andere landen gaat
wordt in de literatuur niet altijd precies beschreven. Vaak worden de vrijlopende
kuddes wel naar de boerderij gehaald voor het aflammeren, soms gebeurt dat zelfs
binnen.
4.2.2. Predatie op lammeren in Groot-Brittanië en Ierland
Een recent onderzoek in Groot-Brittannië naar predatie van lammeren door vossen liet
zien dat gemiddeld slechts 1.17 % van de lammeren door vossen werd gepredeerd.
De totale lammerensterfte bedroeg gemiddeld 5.87 %. Het ging hier om de opgaven
van 490 schapenboeren, zowel in hill en upland als in lowland; daarbij moet men
bedenken dat het vaak niet gemakkelijk is om vast te stellen of een lam levend
gegrepen is door een vos of eerst stierf door een andere oorzaak en daarna als aas
werd gegeten. Het cijfer van 1.17 % is dus waarschijnlijk een overschatting van de
werkelijke predatie (Moberly et al., 2003). Ruim 40 % van de boeren meldden geen
enkel lam aan vossen verloren te hebben. In grotere kuddes (denk aan meer dan 500
schapen) trad vossenpredatie op lammeren vaker op dan in kleinere kuddes, maar
gerekend per ooi werden juist minder lammeren gepredeerd. Dat betekent, dat de
ernst van vossenpredatie, in elk geval zoals die door de boer wordt ervaren (!), groter
is bij een kleinere schaapskudde. Dat verschijnsel wordt ook in andere studies
gesignaleerd (Moberly et al., 2003).
16
Volgens het Ministry of Agriculture is in Groot-Brittannië predatie verantwoordelijk
voor slechts 1 procent van de gestorven lammeren; hier worden als belangrijkste
doodsoorzaken genoemd infecties (37%), verhongering en uitputting (35%) en
ziekten en misvormingen (16%).
De lammerensterfte werd in detail onderzocht op twee Schotse hill-farms gedurende
een periode van vier jaar. In totaal werden respectievelijk 2313 en 1696 lammeren op
de farms geboren, op farm 1 allemaal buiten. Op farm 2 werden de ooien die twee- of
drielingen droegen binnengehouden voor de geboorte, en pas 24-36 uur er na in de
wei gezet Van alle lammeren stierven of verdwenen er in de loop van het hele jaar
251 en 158 (resp. 10.8 % en 9.3 %). Daarvan werden er met zekerheid slechts 16
door vossen gepredeerd, waarvan 13 op farm 1, waar jaarlijks tussen de 8 en 19
vossen werden geschoten (op 325 ha). Alle lammeren werden gepakt vóór ze
geoormerkt werden op een leeftijd van 6 weken. Door alle lammeren die spoorloos
verdwenen in diezelfde periode ook als vossenslachtoffers mee te tellen (wat zeker
een overschatting is), bedroeg de minimale (= zekere) en maximale predatie door de
vos 0.6 – 1.8 % (farm 1) en 0.2 – 1.7 % (farm 2). Analyse van de zekere en
mogelijke predatie-gevallen wees uit, dat het vrijwel altijd ging om lammeren die deel
uitmaakten van een twee- of drieling, terwijl op de farms slechts 68 en 47 % van de
lammeren uit twee- en drielingen bestond. Het moederlijk gedrag van de ooi en haar
gewicht maakten voor de predatie van haar lam(meren) niet uit. Wel werd opgemerkt
dat lammeren werden gedood of verdwenen in bepaalde nachten en op bepaalde
plekken, niet verspreid over plaats en tijd. Ook was duidelijk, net als in alle andere
studies, dat lammeren slechts gedurende de eerste twee of drie weken gepredeerd
werden, meestal binnen tien dagen na geboorte. Overigens was het ook in deze studie
niet altijd mogelijk om onderscheid te maken tussen predatie en het eten van een al
dood lam (White et al., 2000).
In Ierland vormen predatie (door alle soorten predatoren) en ongelukken samen
slechts 5% van alle sterfte onder lammeren. De belangrijkste sterfte-oorzaken zijn
abortus en doodgeboren worden (samen 40%), koude en verhongering (30%) en
ziekten (20%) (Regional Veterinary Laboratory, Department of Agriculture and Food,
Athlone, 1992). In Ierland kan sterfte van lammeren in lowland kuddes rond de
geboorte oplopen tot 15%, in hill flocks tot 25%.
Uit het werk van Macdonald (1987), die vossen volgde op de fells in Noord-Engeland,
bleek dat vossen tussen de schapen door liepen zonder dat één van beide partijen op
de ander reageerde. Toen de lammetjes eenmaal geboren waren, bezochten de
vossen elke nacht de weitjes in het dal waar gelammerd, waar ze de nageboortes
aten. Maar ook de keutels van lammeren werden opgegeten; deze bevatten in het
begin nog veel onverteerde vetten en eiwitten uit de melk. De vossen joegen echter
vooral op de konijnen die ook in die weitjes leefden. De ooien reageerden nu wel
enigszins op de aanwezigheid van de vossen: [vertaald] “Sommige liepen langzaam
weg van de hoek waar een vos foerageerde, andere leken niet verontrust.
Verschillende keren zag ik een ooi geïrriteerd met een poot stampen als de vos te
dicht bij haar lam kwam.” Zie voor het gedrag van ooien met lammeren ook paragraaf
4.2.5.
Macdonald vond in twee vossenterritoria in het voorjaar slechts vier half opgegeten
lammeren; twee daarvan waren duidelijk eerst doodgegaan en daarna opgegeten, een
derde was duidelijk door de vos doodgebeten maar had niet gelopen (geboortevliezen
nog rond de achterpoten) en nog niet gedronken. Dit was dus ofwel een zwak dier dat
na de geboorte ook uit zichzelf zou zijn doodgegaan, of het was een eerstgeboren lam
en wellicht gepredeerd terwijl de moeder bezig was met de geboorte van het tweede.
17
Van het vierde gevonden lam bleef onbekend of het levend of dood was gepakt door
de vos. Macdonald schrijft ook, dat het Britse subsidiesysteem leidt tot overbegrazing,
tot teveel schapen dus. Het gevolg is dat veel lammetjes zonder vetreserve ter wereld
komen en snel sterven, door de slechte conditie van de moeder.
Uit voedselproeven met tamme vossen, uitgevoerd door diezelfde Macdonald, bleek
overigens dat vossen het vlees van schapen en lammeren niet lekker vinden en alleen
eten als er niets lekkerders voorhanden is.
4.2.3. Predatie op lammeren elders in Europa
In een recente Noorse studie naar de sterfte onder ruim 600 lammeren van
vrijlopende schapen, waarbij de lammeren met zenders werden uitgerust, bedroeg de
sterfte van lammeren in twee opeenvolgende jaren resp. 18 en 12 %. Daarvan kwam
resp. 65 en 24 % op rekening van de lynx. Voor de overige sterfte waren ziekten,
verdrinking, predatie door vossen (helaas wordt niet genoemd hoe groot hun aandeel
is) en problemen met insecten verantwoordelijk (Kvam et al., 2004).
4.2.4. Vossenproblemen in Noord-Kennemerland
In de jaren negentig waren er in het gebied grenzend aan de duinen van Noord-
Kennemerland af en toe al problemen met schapen en vossen. Nuissl (1996) somt de
meldingen op die van januari 1992 tot en met mei 1996 (bijna vier en een half jaar)
bij de Wildschadecommissie en het Provinciaal Waterleidingbedrijf (men veronder-
stelde dat de betreffende vossen uit de duinen kwamen) werden gedaan. Naar verluid
was vóór 1992 vossenschade aan schapen onbekend. In die periode van 4.5 jaar
werden 19 keer schapen (per geval 1 tot 4 individuen) en 7 keer lammeren (1 tot 2
individuen) gepredeerd of tenminste aangevreten, volgens opgave. Dat is per jaar
ruim 4 keer en ruim 1.5 keer voor respectievelijk schapen en lammeren. Onbekend is
in hoeverre deze gevallen precies werden onderzocht door deskundigen. Naast deze
‘spontane’ meldingen werden in de gemeenten Schoorl en Bergen enquêtes gehouden
naar de door vossen veroorzaakte schade, in dezelfde tijd, over een periode van 3.5
jaar (Schoorl) of 1 jaar (Bergen); waarschijnlijk gaat het voor een (klein) deel over
dezelfde gevallen als bij de meldingen. Schade aan schapen werd 21 keer gemeld (1
tot 4 schapen per keer), schade aan lammeren 10 keer (1 tot 5 lammeren per keer)
(Nuissl, 1996). In deze twee gemeenten ging het om ruim 6 en ruim 2 gevallen per
18
jaar, respectievelijk voor schapen en lammeren. Ook hier werden geen deskundige
inspecties uitgevoerd, wat ongetwijfeld betekent dat dit beeld een overschatting van
het probleem oplevert (zie paragraaf 3.1). Opvallend is dat in Schoorl en Bergen
ongeveer evenveel gevallen in de enquête naar voren kwamen als er in een stuk of
zes gemeenten (waaronder deze twee) in Noord-Kennemerland werden gemeld;
blijkbaar werden lang niet alle gevallen spontaan gemeld.
Voor zover een datum was opgegeven bij de meldingen of in de enquête, bleek dat
vrijwel alle schade aan volwassen schapen optrad in de maanden november tot en
met maart, en aan lammeren voornamelijk in januari tot en met mei (figuur 1). Maar
ook in juli tot en met september werd nog schade aan drie (grote) lammeren gemeld
(gegevens uit Nuissl, 1996).
19
4.2.5. Experiment met schapen en vossen
Het PWN Waterleidingbedrijf Noord-Holland voerde van 1995 tot 1998 een onderzoek
uit naar de vos in het Noord-Hollands Duinreservaat, tussen Wijk aan Zee en Bergen,
onder leiding van Arie Swaan. Daarbij werd, in 1997, een experiment gedaan om het
gedrag van schapen en vossen in onderlinge confrontatie te bestuderen (Anoniem,
2000).
Op een weilandje tegen het bos, aan de rand van het duin, werden op 22 april enkele
schapen (Texelaars) met hun lammeren ingeschaard. Enkele schijnwerpers met
infrarood-licht beschenen het gehele weitje, terwijl een camera voortdurend opnamen
maakte, met een klein aantal beeldjes per seconde ('time-lapse'). Elke ochtend werd
de band afgekeken, en bewaard als er die nacht een vos op bezoek was geweest. Op
19 mei werden nieuwe schapen ingezet, met lammeren van drie verschillende
leeftijden (zie tabel 5).
Het weitje (0.5 ha)
5. Discussie
5.1. Waarom komen vossen op schapen en lammeren af?
De aflammerperiode biedt vossen eenvoudig te verkrijgen voedsel, vooral in de vorm
van de nageboortes. Die vinden ze blijkbaar lekkerder dan de lammetjes zelf
(Macdonald, 1987). Vooral als de schapen buiten lammeren, zijn nageboortes ruim
beschikbaar, maar vossen lopen ook wel de open (veld-) schuren binnen waarin de
ooien achter grove hekken worden opgesloten voor het aflammeren (waarneming van
diverse boeren). Vossen eten eveneens de melkachtige uitwerpselen van jonge
lammeren, die rijk zijn aan onverteerde vetten en eiwitten (Macdonald, 1987). De
pasgeboren lammetjes vormen op zich prooien die qua afmeting nog net binnen het
natuurlijke voedselspectrum van de vos vallen. Met name de niet door de moeder
geaccepteerde lammetjes, en waarschijnlijk ook de eerst geworpen lammeren van
meerlingen, in de tijd dat de moeder bezig is het tweede te werpen, zijn kwetsbaar
voor predatie. Een betrekkelijk hoog percentage lammetjes wordt sowieso
doodgeboren of komt zeer zwak ter wereld. Voor Nederland wordt gemiddeld
uitgegaan van 8 % lammerensterfte (zonder predatie) binnen 24 uur na geboorte, 3.5
% tot het spenen en 1 % daarna (mededeling J.Verkaik, Animal Science Group,
Lelystad). In totaal sterft dus 1 op de 8 lammeren vóór de volwassenheid. Het zal
duidelijk zijn dat veel van deze lammeren in principe als aas beschikbaar zijn voor
vossen, en omgekeerd, dat een aanzienlijk deel van de door vossen gegeten
lammetjes in feite niet door hen zijn gedood.
Het blijkbaar typisch Nederlandse probleem van vossenschade aan volwassen schapen
komt op een andere manier tot stand. Een schaap dat in de wei doodgaat (jaarlijks
sterft gemiddeld 5 % van de ooien, mededeling J. Verkaik) blijft eenzaam achter
terwijl de kudde verder graast. Vossen kunnen dan hun behoedzaamheid, die ze van
nature voor schapen hebben (zie paragrafen 4.2.2 en 4.2.5), laten varen en het
schaap gaan aanvreten. Hetzelfde gebeurt helaas ook met een verwenteld schaap
(een schaap dat is gaan liggen en niet meer op kan staan) dat eenzaam achterblijft.
Het gedrag van zo’n schaap en het verloop daarvan in de tijd is mij onbekend, maar
aannemelijk is dat zo’n schaap in de loop van de uren steeds minder actief wordt, en
uiteindelijk zich ook niet meer verweert als een vos haar begint aan te vreten. Alleen
al het verwenteld zijn zelf kan na enige uren tot de dood leiden. De pens zakt naar de
rugzijde en de massa voer en vloeistof in de pens sluit de slokdarm af. De gassen die
bij de vertering ontstaan kunnen niet meer door ‘boeren’ worden afgevoerd en het
schaap wordt langzaam opgeblazen, de andere organen worden platgedrukt en de
dood treedt in. Verwenteld raken kan waarschijnlijk door verschillende oorzaken
gebeuren. Schapen kunnen toevallig in een kuil of greppeltje gaan liggen. Schapen die
jeuk hebben gaan op hun rug liggen om tegen de grond te schuren. Hiertegen zou een
goede jeukbestrijding kunnen helpen. En sommige individuen zijn blijkbaar minder
goed in staat op te staan uit zij- of rugligging, dan anderen (www.schapennet.nl).
Hoewel er geen gevallen van vossenvraat aan verdronken schapen geïnspecteerd
konden worden, lijkt dat wel regelmatig voor te komen. Ook hier gaat het om schapen
die in hulpeloze toestand zijn gekomen, hun met water volgezogen vacht verhindert
dat ze uit de sloot kunnen komen. De vos kan daar soms van profiteren en vreet de
kop aan van zo’n schaap of lam, soms terwijl het nog leeft. In de sloot houdt een
schaap het ’s zomers 4 tot 5 uur uit, maar ‘s winters slechts anderhalf uur, volgens
een grote schapenhouder.
22
5.2. Wat is de omvang van de problemen?
Hoewel dit onderzoek betrekkelijk klein van omvang was, wijst alles er toch wel op dat
de (economische) schade, door de vossen toegebracht aan de schapenhouderij, gering
is, zeker in verhouding tot de ‘normale’ verliezen bij geboorte en door verdrinking
bijvoorbeeld. Mijn schattingen lopen uiteen van een verlies door vossen van minimaal
0.08 tot maximaal 0.36 % van de schapen (jaarlijks gemiddelde), terwijl de
gemiddelde jaarlijkse sterfte door alle oorzaken (behalve vossen) van volwassen
schapen in Nederland wordt geschat op 5 %. Bij mijn hoogste schatting zijn twee
kanttekeningen te maken: 1. Hij is gebaseerd op een steekproef van boeren die
‘vossenschade’ hadden, boeren zonder vossenproblemen vielen erbuiten. 2. Van de
door vossen aangevreten schapen zou sowieso een deel gestorven zijn door
verwenteling, ook zonder tussenkomst van de vos. De werkelijke verliezen door
vossen moeten dus veel kleiner zijn dan de maximum-schatting van 0.36 %. Doordat
de schapen allemaal binnen aflammeren, en in de regel pas na minimaal twee weken
(bij mooi weer soms al na een kleine week) naar buiten gaan, maar vaak nog een tijd
’s nachts in de schuur worden opgesloten, is er in Waterland ook nauwelijks sprake
van predatie op lammeren.
Er is echter nog een ander soort schade dan de economische. Boeren vinden het niet
leuk om een door vossen aangevreten schaap te vinden, zeker niet als het nog leeft.
Bij een aangevreten, reeds dood schaap denken ze sowieso zonder uitzondering dat
de vos de dood van dat schaap op zijn geweten heeft, waardoor ze een overdreven
beeld van de vossenschade hebben. Maar een lijdend en bloedend levend schaap
aantreffen, dat anders eenvoudig op de poten gezet had kunnen worden, hakt er diep
in en vervult de meeste boeren met haat tegen de vos. Ook daarom is het verstandig
om te zoeken naar duurzame oplossingen om verdere problemen met vossen te
voorkomen.
Voor vossen in Waterland en andere natte gebieden in laag
Nederland vormen rietkragen een geliefde verblijfplaats.
23
6. Mogelijke oplossingen
Afschot van vossen
De oplossing die het meest voor de hand ligt, en waar altijd direct om wordt gevraagd
bij problemen met vossen, is afschot. In het algemeen gaan boeren en jagers er
voetstoots van uit dat dat het beste helpt. Elke dode vos is er immers eentje minder!
Helaas ligt dat niet zo eenvoudig. De vos is een heel flexibele soort met een hoge
reproductie. De jongen die in het voorjaar geboren worden, gaan in herfst en winter
zwerven op zoek naar een eigen territorium. Daarbij kunnen ze grote afstanden
afleggen. De meeste vossen worden in herfst en winter geschoten. De zodoende
vrijkomende plekken (als er ‘standvossen’ geschoten worden) worden heel snel, vaak
binnen enkele dagen, weer opgevuld met jonge dieren die zich er permanent vestigen.
Het afschieten van vossen betekent dan ook grotere overlevingskansen voor de
overblijvenden, en dus als het ware een vervanging van de natuurlijke sterfte.
Aangezien de problemen met vossen en schapen zich vooral in de nawinter en het
voorjaar voordoen, is het zaak juist in die periode een lage vossenstand te hebben. Uit
onderzoek naar vossenpredatie op lammeren in Groot-Brittannië bleek een verband
tussen de hoogte van de vossenstand en de mate waarin lammeren gepredeerd
werden. Ook bleek dat het aantal geschoten vossen gelijk op ging met de
vossenstand: hoe meer vossen er werden geschoten, hoe meer vossen er in het
vroege voorjaar aanwezig waren (Moberly et al., 2003). Dat betekent dus dat de
geschiktheid van een gebied voor vossen meer effect heeft op de vossenstand dan het
aantal vossen dat geschoten wordt.
Het schieten van vossen in de herfst heeft dus nauwelijks zin, maar het is in die
periode wel het gemakkelijkst. Dit soort bestrijding van vossen heeft in de praktijk
niet geleid tot een afname van het aantal vossen, en in Nederland heeft het ook de
uitbreiding van de vos over ons land niet tot staan gebracht (Mulder, 2005). In
Schotland bracht deze gebruikelijke praktijk van vossenbestrijding eveneens geen
vermindering teweeg in het aantal klachten over predatie op lammeren (Hewson,
1986). Veel beter zou het zijn om pas in nawinter en voorjaar vossen te schieten,
omdat dan de werkelijke probleem-veroorzakers worden verwijderd. In die periode is
vossenbestrijding echter veel moeilijker dan in de herfst.
Uit onderzoek in de Verenigde Staten, naar de predatie van coyotes op schapen, bleek
dat het doden van jonge coyotes en hun ouders op de burchten de predatie met 98 %
verminderde, maar dat alleen het doden van de jongen ook al een reductie van 92 %
in predatie teweeg bracht (Tili & Knowlton, 1983, zoals geciteerd door Hewson, 1986).
Dat laatste zou voor vossen ook een aardige oplossing zijn, omdat kleine jonge vossen
zich veel gemakkelijker laten vangen of doden dan de oude. Het probleem is alleen,
dat de vraat aan schapen niet geassocieerd is met de periode dat vossen voor hun
jongen zorgen. Voor weidevogelbescherming biedt het wegvangen van kleine jongen
mogelijk wel een oplossing. Bejaging in de voortplantingsperiode stuit echter meestal
op weerstand bij jagers.
Vossenafschot leidt in de praktijk nooit tot de totale afwezigheid van vossen, dus met
afschot worden de problemen ook nooit helemaal voorkomen. Bovendien moet men
elk jaar weer van voren af aan beginnen, en willen natuurbeheerders in hun terreinen
vaak geen afschot toestaan. Om al deze redenen is het beter om een meer duurzame
oplossing te zoeken.
24
Weilanden vlakker?
Het verwentelen van schapen is de sleutelfactor bij de problemen met vossen in
Waterland. Een kleine bijdrage aan de vermindering van het aantal verwentelde
schapen zou kunnen zijn het ‘gladder’ afwerken van het weiland. Minder kuilen waar
schapen toevallig in terecht kunnen komen als ze gaan liggen, leiden tot minder
gevallen van verwenteling. Gladgetrokken uniforme weilanden zijn voor
natuurwaarden (weidevogels bijvoorbeeld) echter weer nadelig.
Sloten afzetten
Verdrinken van schapen (en vossenvraat aan in de sloot geraakte schapen) zou
tegengegaan kunnen worden door een schrikdraadje langs de sloot te zetten.
Aangezien slechts heel weinig boeren in Waterland dat momenteel doen, ondanks een
gemiddelde jaarlijkse sterfte door verdrinking van ruim 5 %, geeft aan dat men de
moeite die dat kost niet vindt opwegen tegen de voordelen.
Vaker controleren
Momenteel ‘tellen’ boeren hun schapen vrijwel altijd tweemaal per dag, ’s ochtends na
het ontbijt of na het melken en in de namiddag of ’s avonds. Theoretisch zou het nog
vaker controleren van de schapen, met name een keer rond middernacht, kunnen
leiden tot minder verwentelde schapen en minder problemen met de vos. Er zullen
echter weinig boeren bereid zijn zoveel extra inspanning te leveren om een zo gering
risico te voorkomen.
Vroeg scheren
Er is een nieuwe tendens bij schapenhouders, en wel om de schapen reeds vroeg in
het jaar te scheren, namelijk als ze voor het lammeren toch al naar binnen gaan. Een
kortgeschoren vacht beperkt de kans om te verwentelen in hoge mate, en vermindert
waarschijnlijk ook de kans op verdrinken sterk: de vacht neemt veel minder water op.
Het verwentel-risico is echter het grootst in de periode vóór het aflammeren, en dan
zijn de schapen behalve extra breed, ook nog langharig.
Twee weilanden naast elkaar in mei, het ene met een bekend beeld: nog ongeschoren
schapen, het andere met een nieuw beeld: bij het aflammeren geschoren schapen.
25
Schapen dichter bij elkaar
Bij het video-onderzoek van het PWN bleek dat vossen op hun hoede zijn voor
volwassen schapen. Als er een schaap verwenteld raakt, blijft het vaak alleen achter
op het weiland terwijl de overige schapen langzaam verderop gaan grazen. Zo’n
achtergelaten verwenteld schaap heeft waarschijnlijk een grotere kans om
aangevreten te worden door een vos dan een verwenteld schaap dat midden in de
kudde ligt, omdat een vos zich niet graag tussen de schapen waagt. Het verdient dus
aanbeveling om de schapen tenminste ’s nachts op een relatief kleine ruimte te
houden, bijvoorbeeld met een makkelijk verplaatsbaar schrikdraadje dwars over het
weiland. De schapen dicht bij elkaar houden is ook het devies van een schapen-
beheerder in de duinen; de predatie door vossen blijft dan beperkt tot hooguit enkele
lammetjes per jaar (mondelinge mededeling).
Bewaking door andere dieren
In het buitenland wordt tegenwoordig meer en meer gebruik gemaakt van ‘guard
animals’ om schaapskudden te bewaken. Meestal gaat het om het voorkómen van
predatie door wolf, coyote, lynx en beer, maar ook tegen vossen worden wel dieren
ingezet, met name in Australië. Er is ervaring met drie soorten: honden, ezels en
lama’s. Schapenhonden moeten reeds als pup opgroeien tussen de schapen voor een
goede binding met hen, en vergen aparte training en voeding. Ezels kunnen heel
goede bewakers zijn, die honden en vossen wegjagen, maar dat gedrag is erg
individueel; veel ezels doen niets (Meadows & Knowlton, 2000). In de Noord-
Hollandse situatie zouden vooral lama’s kunnen voldoen als begeleiders van schapen.
Lama’s zijn intelligent, hebben een natuurlijke afkeer van hond-achtigen, binden zich
snel en gemakkelijk met schapen, leven langer dan schapenhonden (20-30 jaar!),
eten hetzelfde als schapen en respecteren hetzelfde soort hekken als schapen. Ze
verdrijven honden en vossen door te ‘hinniken’, hen agressief te benaderen en hen te
schoppen. Lama’s kunnen groepen schapen ook echt ‘hoeden’, bijeen drijven, als er
een roofdier in zicht is, en zich tussen schapen en roofdier opstellen. Lammetjes
worden extra beschermd, soms zelfs tegen de boer. Kleine nadelen van lama’s zijn dat
ze kunnen spugen naar mensen, dat ze ook de honden van de boer kunnen bedreigen
en dat de mannelijke dieren na een jaar gecastreerd moeten worden (Froebe, 2001).
Ook associëren ze zich liever met andere lama’s dan met schapen, zodat er beter geen
andere lama in de buurt kan zijn; dan zouden ze namelijk ‘hun’ schapen kunnen
verlaten en naar die andere lama gaan. Het bewakers-instinct van lama’s is bij toeval
ontdekt in de Verenigde Staten, waar boeren die zowel schapen als lama’s hielden,
ontdekten dat er veel minder predatie door coyotes was. Een enquête onder 20
schapenboeren in de Verenigde Staten, die elk al 20 maanden een lama bij hun
schapen hadden, wees het volgende uit. Negen boeren vonden de lama ‘zeer
doeltreffend’ bij het voorkomen van predatie door coyotes, negen andere vonden hem
‘doeltreffend’ en slechts twee boeren vonden hem niet voldoen (Meadows & Knowlton,
2000). In een ander onderzoek, onder 145 schapenboeren met lama’s in Iowa en
andere staten in de Mid-West, bleek dat hun verliezen aan schapen en lammeren na
het inzetten van een lama waren verminderd van gemiddeld 11% jaarlijks tot 1%
(Franklin & Powell, 1994). Afgaande op enkele advertenties op het internet kost een
lama tussen de € 150 en 700.
Naar een ander ras?
De Texelaar en kruisingen daarvan met andere rassen zijn vanwege hun ruime
vleesproductie economisch tegenwoordig nog het meest rendabel, nu de wol
nauwelijks meer iets opbrengt. Helaas heeft de Texelaar als nadeel dat hij gevoelig is
voor verwenteling. De eigenaren zijn daardoor gedwongen elke ochtend en elke avond
de schapen te gaan ‘tellen’, om eventueel verwentelde dieren weer op de poten te
zetten. Regelmatig komt het voor dat ze dan toch te laat zijn, en een verwenteld
schaap al is gestorven. Nu er vossen in Waterland leven, is er een extra risico
aanwezig, namelijk dat een vos het verwentelde schaap eerder vindt dan de boer.
Omdat gezonde schapen op zich weerbaar genoeg zijn ten opzichte van de vos, zou de
meest ideale oplossing van het vossenprobleem zijn om een schapenras te hebben dat
niet verwentelt.
Het lijkt erop dat daar inmiddels aan gewerkt wordt. Niet zozeer vanuit het
vossenprobleem, maar vanuit het besef dat het scheren van een schaap meer kost
dan dat de wol opbrengt. Men probeert daarom een sterk vleesschaap te fokken dat
zijn (dunne) vacht vanzelf verliest (ruit), zoals een natuurlijk schaap ook zou doen.
Het nog niet echt bestaande ras wordt ‘Nolana’ genoemd, letterlijk ‘geen wol’ (zie
persbericht in bijlage 3). Eén van de rassen die bij die fok betrokken is, is het
Wiltshire Horn Schaap
, dat van nature slechts een dunne wollen vacht heeft die
vanzelf loslaat. Het is een groot, sterk en vitaal schaap dat een goede vleesproductie
kent. De rammen wegen gemiddeld 125 kilo en de ooien 75 kilo. De Wiltshire Horn
kent geen bronstseizoen en de ooien kunnen dus het hele jaar door gedekt worden.
Zowel de rammen als de ooien zijn gehoornd. De rammen dragen prachtige gedraaide
horens en hebben rond hun nek prachtige manen. De ooien zijn goede moederdieren
met een hoge melkproductie waardoor de lammeren snel groeien. De Wiltshire Horn is
bovendien een sterk schaap. De dieren kunnen erg oud worden en blijven op hoge
leeftijd productief. Doordat de dieren geen dikke wollen vacht hebben komt
verwentelen niet voor. Het dier vraagt wel een goede verzorging en kan bijvoorbeeld
meer voedsel opnemen dan de gemiddelde Texelaar(www.schapennet.nl).
Een verwenteld schaap, eenzaam achtergelaten
door de kudde en aangevreten door een vos.
27
7. Literatuur en websites
Anoniem, 2000. Vossen in het Noord-Hollads Duinreservaat en omgeving in de periode
1995-1998. Alterra-rapport 197.
Franklin, W.L. & K.J. Powell, 1994. Guard Llamas. A part of integrated sheep
protection. Brochure Iowa State University.
www.extension.iastate.edu/Publications/PM1527.pdf.
Froebe, H., 2001.Predator control.
http://www.gov.mb.ca/agriculture/livestock/sheep/bsa01s31.html. Manitoba Sheep
Industry Initiative.
Hewson, R., 1986. Distribution and density of fox breeding dens and the effects of
maagement. J. Appl. Ecol. 23: 531-538.
Houten, P.B. van, 2000. Fauna Informatie Publicatie – Vos (Vulpes vulpes). KNJV
Gewest Noord-Holland.
Kvam, T., K. M. Rosendal, E.M. Rosvold, A. Aune, S.M. Rosendal, K. Brøndbo, P.F.
Moa, 2004. Sheep mortality in an area close to a major city 2002-2003. Nord-
Trøndelag University College HINT, Utredning 55: 1-57.
Macdonald, D.W., 1987. Running with the fox. Unwin Hyman, London.
Meadows, L.E. & F.F. Knowlton. 2000. Efficacy of guard llamas to reduce canine
predation on domestic sheep. Wildlife Society Bulletin 28:614-622.
Moberly, R. L., P.C.L. White, C.C. Webbon, P.J. Baker & S. Harris, 2003. Factors
associated with fox (Vulpes vulpes) predation of lambs in Britain. Wildlife Research 30:
219-227.
Mulder, J.L., 2005. De vos in Nederland. In: J.L. Mulder, R.C. van Apeldoorn & C. Klok
(red.), 2005. Naar een effectief en breed geaccepteerd vossenbeheer. Verslag van het
vossensymposium op 12 mei 2004 te Utrecht. 96 pp. Uitgave Faunafonds
Nuissl, J., 1996. Rapport inzake vossenschade. Niet gepubliceerd stage-verslag
Provinciuaal Waterleidingbedrijf Noord-Holland.
Rowley, I., 1970. Lamb predation in Australia: incidence, predisposing conditions, and
the identification of wounds, CSIRO Wildlife Research, 15: 79-123
Tump, L., 2001. Vossen in Waterland. Stageverslag Vereniging Agrarisch
Natuurbeheer Waterland, Purmerend. 73 pp.
Walraven, I. & B. Edel, 2003. Schapen houden voor liefhebbers. Fontaine Uitgevers
bv, Abcoude.
White P.C.L., H.L. Groves, J.R. Savery, J. Conington & M.R. Hutchings, 2000. Fox
predation as a cause of lamb mortality on hill farms. Veterinary Record 147: 33-37.
Bijlage 2: Krantenberichten
Dagblad Waterland 3 dec 2004
Noordhollands Dagblad 8 nov 2004
Kostbare schapen verdronken door hond
Oosterblokker - Twee kostbare schapen zijn vorige week verdronken nadat zij op de vlucht
waren voor een donkere hond. Volgens eigenaar Jan Schouten uit Oosterblokker gaat het om
twee dieren van het ras Bleu du Maine, die in het verleden prijzen haalden bij verschillende
keuringen.
Schouten had in een perceel land tussen de Oosterblokker en de provinciale weg 22 schapen
van deze soort lopen. Zij zijn donderdagmiddag opgejaagd. Twee van de dieren verdronken
daarbij in een sloot en twee andere zijn zwaar aangevreten, waardoor niet zeker is of zij in
leven blijven. De overige beesten zijn in de stress geraakt. Zij zijn drachtig en verwerpen
mogelijk door het voorval hun lammeren. De financiële schade voor Schouten wordt dan ook
pas in januari bekend.
De Oosterblokkerder is verschillende hondenbezitters uit de buurt langs geweest. Welk dier
hiervoor verantwoordelijk is, is nog niet bekend. Jan Schouten roept getuigen op zich bij hem te
melden.
Noordhollands Dagblad 2 dec 2004
Slagveld onder schapen
OOSTERBLOKKER - Minimaal vijftig drachtige schapen van drie agrariërs aan de Oosterblokker
in het gelijknamige dorp zijn tussen gistermiddag en vanmorgen gedood door toedoen van een
klopjacht door twee honden.
Enkele van de dieren stierven na bijthonden, maar de meesten lieten het leven doordat zij bij
de achtervolging in sloten belandden en hierin verdronken. Verder liepen er nog ooien in het
land rond die waarschijnlijk behoorlijk in de stress geraakt zijn. Zij zullen vermoedelijk hierdoor
in het voorjaar niet lammeren.
Het slagveld onder de schapen moet tussen woensdagmiddag en donderdagmorgen zijn
aangericht. De honden behoren toe aan een bewoner van een huis aan de Provincialeweg in
Venhuizen.
Hij meldde zich bij de getroffen veehouders en bood zijn verontschuldigingen voor het voorval
aan. Volgens de agrariërs levert het verlies van een drachtig schaap een schadepost van
ongeveer tweehonderd euro op.
Noordhollands Dagblad 12 okt 2004
Vraatzuchtige vos zet tanden in schaap
Landsmeer - Nico en Peter Dekker die hun boerenbedrijf aan de Kanaalweg in Landsmeer
hebben, worden er moedeloos van. Vorig jaar verloren zij drie schapen aan vraatzuchtige
vossen. En nu is het weer raak. Opnieuw heeft een vos zijn tanden in een van hun schapen
gezet.
De boeren vonden het dode schaap gisterochtend rond kwart voor negen. ,,Uit voorzorg tellen
we twee keer per dag de schapen'', legt Nico uit. ,,Vorig jaar waren er drie die door de vossen
te pakken waren genomen. Die leefden nog wel, maar gingen uiteindelijk dood. Twee ervan
waren drachtig.'' De vossen hadden het voorzien op de uier van de schapen. ,,Toen ik vorig jaar
een keer de stal dicht ging doen, liep er een vos tussen mijn benen door weg. En mijn ouders
zagen er vorig jaar twee langs de dijk lopen.'' Ook in het land zien Nico en Peter sporen van de
vos, bijvoorbeeld pootafdrukken in de prut. ,,Sloten vormen geen barrière, ze kunnen goed
zwemmen'', legt Jaap Mulder van Bureau Mulder-natuurlijk uit. Mulder onderzoekt en adviseert.
Hij is bezig met een inventarisatie.
,,We gaan nu 's ochtends met pijn in de buik het land op uit vrees voor wat je nu weer
tegenkomt'', aldus Nico Dekker. Maar nog erger vindt hij de reactie van de provincie op een
aanvraag om op de vos te mogen jagen. ,,Volgens de provincie is het schaap geen natuurlijke
prooi van de vos, onder meer omdat de vos niet door de dikke schapenvacht heen komt. Alleen
zwakke en zieke dieren worden aangevreten. ,,Dus eigenlijk zeggen ze dat we onze beesten niet
goed verzorgen. Onze schapen zijn niet ziek of zwak.'' Dat er niet op de vos gejaagd mag
worden, betreurt ook Paul Wals van de wildbeheereenheid Waterland en Omstreken. ,,Als je niet
mag schieten, vergoed dan tenminste de schade'', vindt hij. De WBE heeft in de zeven, acht
jaar voor het jachtverbod zeker 30 vossen geschoten.
[NB. Bovenstaand geval werd ter plekke geïnspecteerd. Onduidelijk bleef of het schaap
dood dan wel levend werd aangevreten. Wel was duidelijk dat deze boer een probleem
had met verwentelen, want op het moment van inspectie, ’s middags, lag er al weer een
schaap verwenteld.]
Noord-Hollands Dagblad 20 juli 2004
Honden doden vier schapen
Heiloo - De politie is maandagavond samen met een aantal boze boeren en
dierenambulancepersoneel op zoek gegaan naar twee honden die in weilanden achter het
tankstation aan het Kooimeerplein vier schapen hebben gedood.
De rest van de kudde liep ernstig gestresst in de wei rond. De honden zijn er waarschijnlijk
vandoor gegaan richting Overdie of het nabijgelegen industrieterrein. Het gaat om een bouvier
of schapendoes met korte zwarte krullen en een Duitse herder. Beide dieren dragen een
halsband met penning. De politie is op zoek naar de eigenaar of naar mensen die meer over de
honden (denken te) weten.
Noord-Hollands Dagblad 26 mei 2004
Vos blijft 'n killer in Waterlands landschap
Broek in waterland - Slimmer zijn dan een vos? Da's nog niet zo makkelijk. Maar je moet wat
om je levende have te beschermen tegen de hongerige vossen. En dus laat Kees Mul uit Broek
in Waterland zijn dooie schaap maar zo lang mogelijk liggen in het weiland. ,,Dan gaan de
beesten daar misschien verder aan vreten, in plaats van dat ze andere levende dieren
aanvallen.''
Eigenlijk mag dat niet. Officieel is Mul verplicht om een dood dier direct te melden bij de
kadaverdienst. Hij moet het beest dan in een ton aan de kant van de weg zetten, zodat het de
volgende dag opgehaald kan worden.
Maar Mul en zijn collega's worden er langzaamaan moedeloos van. Bij Mul zijn dit jaar diverse
schapen en lammeren door vossen doodgebeten. Wandelend over zijn land vind je her en der
de resten van schapenpoten, die door vossen zijn achtergelaten.
Afgelopen weekend trof hij het laatste slachtoffer aan. Een volwassen schaap lag dood in het
gras, de kaken bloot en de hals compleet opengescheurd. ,,Dat was aanvankelijk nog niet zo.
Maar ik had het laten liggen, ook om het te laten zien aan een aantal mensen. De volgende dag
kwam ik terug en was het verder aangevreten. En een dag later nog weer verder. Daaruit blijkt
dus dat vossen inderdaad gewoon later terugkomen om zo'n beest verder op te vreten.''
Natuurbeschermingsorganisaties hebben soms hun twijfels of schapen en lammeren wel door
vossen worden gedood. Zij zeggen dat het ook bijvoorbeeld honden kunnen zijn, of hermelijnen.
Volgens Mul staat het vast dat het wel degelijk om vossen gaat. Hij wijst op de uitwerpselen
rondom het kadaver van het schaap: ,,Dat zijn vossenkeutels.''
De boer vindt dat het daarom toch eens tijd wordt dat jagers een ontheffing krijgen om een
aantal vossen af te schieten. ,,Daar zijn natuurbeschermingsorganisaties tegen. Niet dat die het
voor het zeggen hebben, maar ze kunnen wel tegenhouden dat jagers een ontheffing krijgen
voor de vossenjacht. Het is al een paar keer gebeurd dat de provincie zo'n ontheffing wilde
afgeven. Maar dan stapt zo'n natuurbeschermingsorganisatie naar de rechter en die zegt
vervolgens dat er geen keihard bewijs is dat de vossen de boosdoener zijn. En dan wordt de
ontheffing weer ingetrokken. Maar ja, wat is keihard bewijs? Die keutels die nu rondom het
dode schaap liggen misschien?''
Overigens vindt Mul de houding van de natuurbeschermingsorganisaties in dit opzicht nogal
tegenstrijdig. ,,Ze willen Waterland en zijn flora en fauna zoals die nu zijn beschermen. Een
goed streven hóór, vind ik. Ben ik het ook helemaal mee eens. Daarom werk ik ook mee aan de
weidevogelbescherming, waarmee vogelnesten in de weilanden zoveel mogelijk worden
beschermd tijdens de bewerking van het land.''
,,Maar juist die vos, die door een aantal van die organisaties ook beschermd wordt, is een
bedreiging voor dit gebied. Het dier hoort hier oorspronkelijk niet thuis, is ooit vanuit het
duingebied hier naartoe gekomen. En behalve schapen, lammeren en pluimvee, zijn vossen ook
een bedreiging voor de weidevogels. Ze vernielen nesten en roven eieren.''
Dat laatste ziet de Natuurvereniging Waterland, die de nestbescherming coördineert, ook in.
Daarom wordt nu geëxperimenteerd met nieuwe nestbeschermers, die vogels en broedsel
moeten beschermen van de vos. Eén van de prototypes waarmee gewerkt wordt is een
nestbeschermer waar stroom op staat. Zodra een vos de nestbeschermer aanraakt krijgt hij een
stroomstoot en zal hij voorlopig bij het nest uit de buurt blijven.
[NB. Bovenstaand geval werd ter plekke geïnspecteerd. Het bleek dat het schaap aan een
infectie van vliegenmaden (myasis) was gestorven, door slechte verzorging dus. Ook de
eerdere gevallen bij Mul bleken, bij navraag bij hem, zelf gestorven te zijn en daarna pas
aangevreten door vossen.]
Noord-Hollands Dagblad 18 feb 2003
Twee herdershonden richten slagveld aan onder schaapskudde in 't Zand
’t ZAND - Twee honden (Mechelse herders) hebben afgelopen zondag een waar slagveld
aangericht onder een drachtige schaapskudde in 't Zand. De opgejaagde schapen braken uit,
belandden aangevreten in de sloot en tot overmaat van ramp werden er ook nog twee
aangereden.
Schapenhouder Paul Rupert uit Callantsoog slaagde er ternauwernood in een slachting te
voorkomen, maar hij vreest het ergste voor de naderende lammertijd. Het gaat om in totaal 24
schapen die in een weiland grazen aan de Korte Bosweg in 't Zand, vlak achter de bekende
eendenkooi.
De schapen zijn van een zeldzaam ras, Scottisch Blackface. Dat zijn uit Wales afkomstige
beesten die zich onderscheiden door hun zwarte koppen en fiere uitstraling. Qua prijs liggen ze
ver boven hun traditionele soortgenoten in de omringende weilanden.
Callantsoger Rupert is leraar op het Schager Clusiuscollege en houdt de schapen uit pure
agrarische hobby. Het scheelde weinig of hij was zelf ook aangevallen, toen hij zondagmiddag
op de plaats des onheil arriveerde en de Mechelse herders op heterdaad betrapte. Rupert: ,,Ik
kwam net van een verjaardag en had m'n nette kleren nog aan. Toen ik aankwam, trof ik de
wei vol met plukken wol. Die honden hadden een waas voor hun ogen. Eentje stond er met
opgetrokken bovenlip tegenover me. Gelukkig lukte het me ze weg te jagen.''
Vervolgens ging Rupert de trieste balans opmaken. ,,Er stonden vier schapen in de sloot.
Volledig in shocktoestand. Moet je nagaan in die vrieskou. Hun ruggen waren aangevreten. Ik
ben meteen de sloot ingegaan om ze uit hun benarde positie te bevrijden. Kun je je voorstellen
hoe ik eruit zag. Stond daar in m'n nette kleren, alles zat onder de modder en het bloed.''
Eenmaal thuisgekomen, werd Rupert 's avonds door de politie gebeld. Een automobiliste had
twee uitgebroken schapen aangereden op de Bosweg. De schapen hebben het overleefd, maar
de auto heeft schade. Er moet een en ander geregeld worden in verband met de verzekering.
De moraal van het verhaal, doceert Rupert, is dat de combinatie honden en schapen vrijwel
altijd fataal is. ,,Het begint meestal met een spelletje, maar als honden eenmaal bloed ruiken
dan worden ze helemaal wild. Zo is het zondagmiddag ook begonnen en ik zit met de brokken.
Je moet immers maar afwachten hoe die drachtige schapen zich hier doorheen slaan.''
Rupert hoopt op eventuele getuigen die zich bij de politie melden met informatie. ,,Want iemand
moet er toch iets gezien hebben.''
Noord-Hollands Dagblad 3 feb 2003
Gedupeerden verlangen naar ontheffing afschieten van vossen
OOSTZAAN-Wat zou wethouder P. Klarenbeek van Oostzaan graag op de hoorn blazen ten teken
dat de jacht op de vossen is geopend. Maar de jacht op vossen is sinds april 2002 verboden. De
beesten zijn toen tot een beschermde diersoort verklaard.
Daarom kunnen zij ongehinderd en naar hartelust slachtpartijen aanrichten onder kippen,
konijnen, eenden, ganzen en zelfs schapen, maar ook onder zeldzamere vogelsoorten als
krombekken, spreeuwenkoppen en witborsten. Gedeputeerde H. Schipper was zaterdag naar
Oostzaan gekomen om een door Klarenbeek samengesteld 'zwartboek' in ontvangst te nemen.
De gedeputeerde, die voorzitter is van het Recreatieschap Het Twiske, zag het 'zwartboek' met
belangstelling in, las de persoonlijke ontboezemingen van gedupeerde bewoners en gruwde van
de bloederige beelden.
Hij kon de wethouder en talrijke gedupeerden slechts toezeggen zijn collega A. Wildekamp, die
verantwoordelijk is voor de fauna in Noord-Holland, over te halen alsnog toestemming te
verlenen tot het afschieten van de vele 'Reintjes' in de omgeving van Oostzaan, Landsmeer en
Den Ilp.
Misschien dat Klarenbeeks zwartboek daarbij van dienst kan zijn. In november nog keurde een
meerderheid van de Staten een motie van VVD en CDA af, waarin werd gevraagd om een
ontheffing van het afschotverbod van vossen. Dus veel hoop kon Schipper niet geven, of het
moest al zijn dat de nieuwe Statenleden een heel andere opvatting hebben.
Dat ook veenweidevogels het slachtoffer zijn van de roofzucht, kan Wildekamp en de
Statenleden aan het denken zetten, want wordt er niet van alles aan gedaan om die te
beschermen? Zelfs boeren mogen pas na de broedtijd hun land maaien, om maar een voorbeeld
te noemen. En er was nog een reden om de vossen af te maken. G. Rutten uit Den Ilp bracht
naar voren dat de vossen hondsdolheid en vossenlintworm kunnen verspreiden. Allemaal erg
ongezond voor mensen. Kortom: ,,Doe wat!'', riep de Landsmeerse wethouder M. Dillen. Haar
Oostzaanse collega Klarenbeek deed niet voor haar onder: ,,Ik zou het van het dak van de
Oostzaanse kerk willen schreeuwen: bestuurders beslis! Laat ons niet langer in het onzekere.
Ga aan de slag. Nu!''
Noordhollands Dagblad 28 jan 2003
Zwartboek vol klaagbrieven over vossen
OOSTZAAN-Wethouder P. Klarenbeek overhandigt zaterdag een zwartboek over de
vossenproblematiek aan gedeputeerde J. Schipper van de provincie Noord-Holland. Het
zwartboek bevat ongeveer 40 brieven van inwoners van Oostzaan, Den Ilp en Landsmeer.
Zij stuurden Klarenbeek hun klachten toe, nadat hij daartoe een oproep had geplaatst in huis-
aan-huisblad Het Kompas. De wethouder was het 'zat' dat hij steeds nul op het rekest kreeg als
hij bij hogere instanties aanklopte om iets aan de vossenproblematiek te doen.
Sinds vorig jaar kampen de dorpen met overlast door vossen. Kalkoenen, kippen, eenden en
schapen worden door de dieren dood gebeten en de vogelstand in recreatiegebied Het Twiske
zou onder de aanwezigheid van de vos te lijden hebben. De vossen zo maar afschieten kan niet.
De provincie beslist of er een ontheffing op het jachtverbod wordt afgegeven.
Het zwartboek wordt zaterdag om half twee overhandigd. Op welke locatie is nog niet bekend.
Noordhollands Dagblad 9 dec 2004
Wandelaars kosten boer in Katwoude zijn schapen
Katwoude - Schapen die ten prooi vallen aan vossen of honden is eigenlijk geen nieuws meer.
Maar dat doodgewone wandelaars de beesten ook de dood in kunnen jagen... Boer Wiebe
Spaarman uit Katwoude is al twee schapen kwijtgeraakt door recreanten en hij vreest nog meer
rampspoed.
Het gaat om Spaarmans schapen op de dijk die vanaf de Lagedijk in Katwoude langs de
Purmerringvaart naar De Zedde loopt. Spaarman pacht die dijk van Hoogheemraadschap
Holland Noorderkwartier. ,,Het is gewoon een groene dijk, onverhard, dus zonder voetpad of zo.
Maar wel vrij smal, een meter of zeven, acht. In de zomer laat ik hem begrazen door schapen,
zo'n dertig à veertig.''
Tot een jaar of vier geleden was er niks aan de hand. Totdat Landschap Waterland opeens
bedacht dat de dijk onderdeel moest worden van een wandelroute (de Palingroute) door de
regio. Een bordje aan het begin van de dijk geeft dat aan. Spaarman was stomverbaasd, vertelt
hij. ,,Er was geen enkel overleg over geweest. Opeens stond dat bordje daar en wandelden er
allemaal mensen over de dijk. Ik kon daar weinig aan doen, omdat de dijk natuurlijk openbaar
gebied is, weliswaar door mij beheerd, maar niet mijn eigendom. ''
,,Ongeveer twee jaar geleden gebeurde iets vergelijkbaars. Toen kwam de Natuurvereniging
opeens ook met een wandelroute: het Rondje Katwoude. Ook daarvan is de dijk onderdeel.''
,,Sindsdien is het dus vooral 's zomers soms behoorlijk druk op de dijk. Dat is een ramp voor de
schapen. Mensen schrikken de beesten af. Ze gaan op de loop, totdat er van de andere kant ook
een groepje wandelaars aan komt. Dan weten de schapen niet meer waar ze naartoe moeten.
En juist omdat de dijk zo smal is kunnen ze eigenlijk ook nergens naartoe. Uiteindelijk belanden
ze in het water. Afgelopen zomer is het zeker een keer of tien gebeurd dat ik werd
gewaarschuwd dat er weer een schaap in het water lag. Twee keer was het beest niet meer te
redden.''
,,Het is heel frustrerend, want je probeert natuurlijk zelf ook de boel steeds in de gaten te
houden. Maar dat kan gewoon niet altijd. Al met al heb ik er wel ontzettend veel werk aan en
lijd ik er schade door. Begrijp me goed: ik verwijt die wandelaars niets, want het is natuurlijk
prachtig om daar te lopen. Maar het zou toch beter zijn om de dijk af te sluiten.''
,,Afgezien van het feit dat schapen in het water belanden, is het sowieso heel vreemd dat
mensen op de dijk mogen komen. Ik moet op mijn bedrijf aan allerlei strenge maatregelen
voldoen om te voorkomen dat via mensen dierziekten worden verspreid. Maar die mensen die
op de dijk lopen, kunnen heel gemakkelijk ziektekiemen meenemen van bijvoorbeeld
rotkreupel, een zeer besmettelijke schapenziekte. Als dat gebeurt heb je de poppen aan het
dansen. Maar kennelijk mag dat gewoon.''
Ziezo 18 juni 2005
Schaap van de toekomst verliest haar wol
Nooit meer scheren
Nederlandse schapenhouders zijn op zoek naar een nieuw vleesschaap dat ze niet hoeven te
scheren. Het beoogde schaap heeft al een naam - Nolana, Latijn voor ‘geen wol’ - maar is er
nog niet echt. Toch laat het Nolana Netwerk Nederland, ondersteund door de Animal Sciences
Group en A&F, beide van Wageningen UR, mensen zaterdag alvast kennismaken met het
‘schaap van de toekomst’.
‘Het klinkt een beetje vreemd, maar voor het schaap van de toekomst moeten we eigenlijk weer
terug naar het oerschaap. Van nature ruien schapen ieder voor- en najaar, maar de populaire
rassen in de schapenhouderij hebben deze eigenschap verloren’, zegt ing. Dolf Smits,
onderzoeker bij A&F. Hij is een van de onderzoekers die betrokken is bij het Nolana Netwerk
Nederland, dat in het kader van het LNV-programma Netwerken in de Veehouderij
ondersteuning krijgt vanuit Wageningen UR.
‘Het scheren van schapen kost tegenwoordig meer dan de wol oplevert. Daarom zijn
schapenhouders al een tijd op zoek naar schapen die niet geschoren hoeven te worden’, aldus
Smits. Dat levert volgens hem niet alleen een kostenbesparing op. Schapen die niet ruien
hebben ook veel meer last van parasieten. Zo moeten Texelaars een paar keer per jaar worden
ontsmet om te voorkomen dat ze last krijgen van myasis, een vliegenlarve die zich in het vlees
vreet. Dat ontsmetten is een erg stressvol gebeuren. Smits: ‘We zoeken kortom robuuste
schapen die gewoon in het voorjaar hun wintervacht verliezen. Het haar wordt dan door de wind
meegevoerd, dat is een stuk goedkoper dan scheren.’
‘Moderne’ schapen zijn juist gefokt op het vasthouden van hun vacht. Dat gaf wel meer werk,
maar heeft de kwaliteit van de wol ook sterk verbeterd. Door de gestegen arbeidskosten en de
sterk dalende vraag naar wol, is scheren nu echter een kostenpost geworden en zijn
schapenfokkers zelf aan gaan experimenteren met zelfruiende schappen.
Smits: ‘Oorspronkelijk werden wij er vooral bijgehaald om het Nolana-concept verder op de
markt te zetten. Er zijn echter ook nog de nodige fokkerijproblemen, waarbij nu de Animal
Sciences Group wordt ingeschakeld. Het schaap moet wat betreft de vacht nu eigenlijk richting
geit, waarbij we er voor moeten waken dat we de kenmerkende eigenschappen van
schapenvlees niet kwijtraken.’
Op zaterdagmiddag 18 juni wordt bij een schapenhouder in Dalfsen een open dag georganiseerd
over Nolanaschapen, waarin de tot nu bereikte fok- en onderzoeksresultaten gepresenteerd
worden.
Zie ook http://home.hetnet.nl/~dutchfarm
Wageningen UR | Gert van Maanen
MENU VOOR MENSEN
DIE NOG STEEDS
MICROSOFT
INTERNET EXPLORER
GEBRUIKEN
Laatste bestandswijziging:
January 5th, 2012